Fiscaal probleem bij scheidingsverdeling pensioen en lijfrente

Een in 1972 in gemeenschap van goederen gehuwd echtpaar, gaat in 2010 scheiden. Het echtpaar verdeelt onder meer de overwaarde van de woning, de lijfrenten en het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen zodanig dat er volgens hen geen sprake zou zijn van overbedeling. De belastinginspecteur stelt echter dat lijfrenten en pensioenaanspraken (box 1) worden uitgeruild tegen de woning (box 3), met als gevolg dat er sprake is van een belaste verdeling van de woning. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 14 december 2017 uitspraak gedaan.

De feiten en (afgeronde) getallen blijkens het echtscheidingsconvenant
In het echtscheidingsconvenant worden verschillende bedragen genoemd voor diverse vermogensbestanddelen. We beperken ons tot de belangrijkste:
• Op de woning zit een overwaarde van € 525.500.
• Er zijn twee lijfrenten met een waarde van € 158.400 (na aftrek van 20% latente belasting)
• Er zijn diverse pensioenaanspraken met een waarde van € 777.500 (na aftrek van 20% latente belasting).
In totaal is het totale vermogen volgens de bijlage van het echtscheidingsconvenant zodanig verdeeld dat elke echtgenoot afgerond € 800.000 aan vermogen ontvangt. De verdeling is echter als volgt:
• De vrouw krijgt het hele huis. Ze wordt hierdoor overbedeeld.
• Ter compensatie krijgt de man € 21.000 meer aan lijfrentekapitaal dan de vrouw; èn
• De man krijgt € 318.000 meer aan pensioenaanspraken dan de vrouw.

Visie belastinginspecteur
De belastinginspecteur legt de vrouw over 2010 een navorderingsaanslag in box 1 op over een inkomen van € 169.500. Dat is 50% x (€ 21.000 + € 318.000), ofwel de helft van wat de man aan hogere lijfrente- en pensioenaanspraken heeft toegedeeld gekregen.
De motivatie van de inspecteur ligt in artikel 3.102, lid 3 Wet IB2001 (zie externe link). Daarin staat, samengevat, dat wat aan lijfrente of pensioen verrekend wordt in het kader van echtscheiding, wordt gezien als ‘periodieke uitkeringen en verstrekkingen’. En dat is een belast inkomstenbestanddeel.
De vrouw heeft dus, volgens de inspecteur, € 169.500 aan overwaarde in het huis gekregen ter compensatie van deze lijfrenten en pensioenaanspraken. Die aan haar toegedeelde overwaarde is een ‘periodieke uitkering of verstrekking’ en is daarom belast.

Oordeel Gerechtshof
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de verdeling van de lijfrenten en die van de pensioenaanspraken. Lijfrenten behoren namelijk tot de vermogensbestanddelen bij de boedelverdeling. Pensioenaanspraken vallen onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS) en daardoor niet tot de te verdelen vermogensbestanddelen – civielrechtelijk vallen pensioenaanspraken niet in de huwelijksgoederengemeenschap.

Lijfrenten
Over de lijfrenten oordeelt het Hof dat het deel van de overbedeling in de woning dat hierop betrekking heeft, een te verdelen vermogensbestanddeel was uit de boedel. Er zou anders sprake zijn geweest van overbedeling. Nu een deel van de overwaarde van de woning ter hoogte van € 10.500 (de helft van € 21.000) is geruild tegen een lijfrente, is dat deel belast als periodieke uitkering of verstrekking.

Pensioenrechten
Pensioenaanspraken (behalve nabestaandenpensioen) worden verdeeld volgens de WVPS. Er zijn, kort gezegd, drie opties voor deze verdeling:
• Via de standaardmethode (gelijke verdeling van de aanspraken)
• Afwijkend van de standaardmethode doordat een andere verdeling is overeengekomen in huwelijkse voorwaarden of een echtscheidingsconvenant
• Een vereveningsgerechtigde heeft bovendien het recht om het deel van het ouderdomspensioen (samen met een bijzonder NP) te converteren tot een eigen aanspraak, waarbij het niet noodzakelijk is dat die eigen aanspraak de helft is van het te verevenen ouderdomspensioen.

Partijen zijn vrij om pensioenrechten zo te verdelen als zij willen. Omdat er geen sprake is van vermogensbestanddelen die onder de boedelverdeling vallen, is er geen sprake van over- of onderverdeling bij een van de partners, als afgeweken wordt van de standaardmethode.

Er is dus geen sprake van onder- of overbedeling bij het toepassen van een afwijkende methode van verevening van pensioenrechten. Er is dus ook geen aanleiding tot een correctie bij de boedelverdeling. Dit is wel gedaan: man en vrouw hebben gekozen voor pensioenverrekening door het toedelen van het woonhuis.

Dit betekent op grond van artikel 3.102, lid 3 onder a, dat ook de helft van € 318.000 (of wel € 159.000) bij de vrouw belast is als periodieke uitkering of verstrekking.

Eindconclusie
Zowel het deel dat toe te rekenen is aan de lijfrente als aan de verdeling van de pensioenrechten is, als periodieke uitkering of verstrekking, belast bij de vrouw. Het gelijk is aan de inspecteur.

Deel dit bericht...
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Share on Facebook
Facebook
Share on LinkedIn
Linkedin