Uitspraak Gerechtshof: Gebruiksvergoeding woning

Man (M) en vrouw (V) zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort de echtelijke woning. Op 17 juni 2009 gaan partijen feitelijk uiteen, als V de woning verlaat en elders haar intrek neemt. In 2010 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. M woont nog altijd in de voormalig echtelijke woning, die nog niet is verkocht of verdeeld.

V vordert een gebruiksvergoeding van M ter zake de echtelijke woning. De rechtbank wijst het verzoek toe en stelt de door M aan V te betalen gebruiksvergoeding met ingang van 17 juni 2009 vast op € 231 per maand.

In hoger beroep betoogt M dat hij alle lasten van de woning voldoet, zodat de gebruiksvergoeding op nihil dient te worden bepaald. Indien het hof van oordeel is dat hij wel een gebruiksvergoeding verschuldigd is, dan moet voor de berekening daarvan van een lager rentepercentage worden uitgegaan dan van het door de rechtbank gehanteerde percentage van 4%.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:169 BW kan een gebruiksvergoeding door V worden gevorderd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 3:169 BW volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is die andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen.

In casu geldt derhalve als uitgangspunt dat M – voor de periode dat hij de voormalig echtelijke woning met uitsluiting van V gebruikt – aan V een gebruiksvergoeding dient te betalen. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken op grond van de enkele omstandigheid dat M alle lasten van de woning voldoet; dat V die lasten niet zou hoeven te voldoen, betekent namelijk nog niet dat zij daarmee is gecompenseerd voor het feit dat zij verstoken is gebleven van het gebruik van de woning. Daar komt bij dat voldoende aannemelijk is geworden dat M de verkoop van de woning opzettelijk heeft vertraagd en V daarmee heeft belast met het voortduren van een situatie van onverdeeldheid, waarin zij verstoken blijft van het gebruik en genot van de woning. Ook daarmee verhoudt zich niet de door M verzochte afwijzing van de gebruiksvergoeding.

Aan het standpunt van M dat niet uitgegaan moet worden van een rentepercentage van 4%, maar van een lager rentepercentage, gaat het hof voorbij. Met de gebruiksvergoeding wordt beoogd de echtgenoot/mede-eigenaar die de echtelijke woning verlaat, schadeloos te stellen voor het feit dat deze, zolang de andere echtgenoot gebruikmaakt van de woning, verstoken blijft van zijn/haar aandeel in de waarde van de woning. De hier bedoelde schade zal veelal hierin bestaan dat de echtgenoot die uit de woning is vertrokken de kosten van herhuisvesting extern moet financieren. Ten tijde van het uiteengaan van partijen, in juni 2009, was het niet ongebruikelijk dat met een dergelijke financiering ten minste een rentepercentage van 4% was gemoeid. Het hof ziet dan ook geen reden om af te wijken van het door de rechtbank gehanteerde rentepercentage van 4%.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4147