Uitspraak Gerechtshof: Is het krediet zakelijk of privé? En maakt dat wat uit?

Man (M) en vrouw (V) zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. M is ondernemer en oefent zijn onderneming uit in een eenmanszaak. Tijdens het huwelijk sluit M op naam van de eenmanszaak een doorlopend krediet af bij ABN Amro Bank ten bedrage van € 44.587. In 2013 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

De rechtbank stelt vast dat zowel de eenmanszaak als het krediet in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat van het krediet een gedeelte van € 8.337 is aangewend voor de eenmanszaak en € 36.250 voor privé. Het bedrag van € 8.337 verdisconteert de rechtbank vervolgens in de waarde van de eenmanszaak, die daarmee uitkomt op € 14.381. De rechtbank deelt de eenmanszaak toe aan M, evenals het krediet ad € 36.250 (zijnde in totaal een negatief bedrag van € 21.869). Daarmee is V volgens de rechtbank overbedeeld voor een bedrag van (€ 21.869 : 2 =) € 10.934,50. V gaat in hoger beroep. Volgens haar is het volledige krediet (en dus niet slechts het bedrag van € 8.337) zakelijk en onderdeel van de aan M toegedeelde eenmanszaak.

Het hof overweegt als volgt. V betoogt dat het hele krediet zakelijk is (lees: aangewend voor de eenmanszaak). Dit betoog baat haar niet. Ook als het krediet volledig in mindering wordt gebracht op de waarde van de eenmanszaak, verandert dat niets aan de overbedeling van V. De rekensom is anders, maar de uitkomst blijft hetzelfde. De waarde van de onderneming is dan € 36.250 minder, en komt uit op (€ 14.381 minus € 36.250 =) € 21.869 (negatief). V is dan nog steeds overbedeeld voor het bedrag van € 10.934,50.

Ingevolge artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749). De door V gestelde omstandigheden – (1) dat het krediet door M is afgesloten zonder haar medeweten, (2) dat zij geen zicht heeft gehad op het krediet en (3) dat zij van het krediet ook geen profijt heeft gehad – zijn geen zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld en vormen evenmin voldoende grond om de eenmanszaak dan wel alleen het krediet aan M als verknocht aan te merken (artikel 1:94 lid 3 (oud) BW).
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:104

Deel dit bericht...
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Share on Facebook
Facebook
Share on LinkedIn
Linkedin