Uitspraak Gerechtshof: Partneralimentatie: geslaagd beroep op artikel 1:160 BW

Man (M) en vrouw (V) zijn in 2011 met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2017 door echtscheiding is ontbonden. Tijdens het huwelijk raakte V zwanger van haar nieuwe/huidige partner. Inmiddels is zij bevalen van dochter (D).

V verzoekt de rechtbank de door M aan haar te betalen partneralimentatie vast te stellen. De rechtbank wijst het verzoek toe, en stelt de partneralimentatie vast op € 1.370 per maand. M gaat in hoger beroep. Volgens hem wonen V en haar nieuwe partner met elkaar samen als waren zij gehuwd, zodat hij op grond van artikel 1:160 BW niet meer onderhoudsplichtig is jegens haar. V erkent dat haar nieuwe partner de verwekker is van D, maar ontkent met hem samen te wonen. V verwijst naar de bijstandsuitkering voor een alleenstaande die zij ontvangt.

Het hof overweegt als volgt. M heeft de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg van 7 november 2017 in het geding gebracht, die betrekking heeft op de ontkenning van het vaderschap van M over D. In die beschikking is de volgende verklaring van de bijzondere curator opgenomen: ‘Bovendien heb ik uit mijn gesprek met [V] kunnen opmaken dat er sprake is van een daadwerkelijk gezinsleven tussen [D] en haar biologische vader. [V] wil niet de naam van deze man in deze procedure noemen, maar geeft aan met hem te gaan samenwonen.’

Het voorgaande vormt naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwing voor de stelling van M dat V met haar nieuwe partner samenwoont als waren zij gehuwd. Het ligt dan op de weg van V om de stelling van M gemotiveerd te weerspreken. V heeft echter volstaan met een blote ontkenning van de gestelde samenwoning en heeft het hof bovendien nauwelijks geïnformeerd over haar persoonlijke en financiële situatie. Zij wil de naam van haar nieuwe partner niet noemen en geeft geen enkele informatie over zijn woonplaats en leefomstandigheden, terwijl zij evenmin haar huidige woonadres wenst prijs te geven.

Het had op de weg van V gelegen om haar inkomsten tot een zo recent mogelijke datum inzichtelijk te maken en om voorts ook aanvullende inlichtingen te verstrekken welke anderszins het nodige licht werpen op haar woon- en leefomstandigheden. Dit heeft V echter nagelaten. Daar komt bij dat zij, zonder opgaaf van redenen en tot verrassing van haar eigen advocaat, niet ter zitting is verschenen. V kon derhalve niet door het hof worden bevraagd, terwijl haar advocaat evenmin in staat was om de vragen van het hof te beantwoorden.

Al met al is het hof van oordeel dat V de genoegzaam onderbouwde stelling van M (dat zij met haar nieuwe partner samenwoont in de zin van artikel 1:160 BW) volstrekt onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat de door M gestelde samenwoning daarmee rechtens is komen vast te staan.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het alimentatieverzoek van V alsnog af.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5868

Deel dit bericht...
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Share on Facebook
Facebook
Share on LinkedIn
Linkedin