Uitspraak Gerechtshof: Over de verwekker en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind

Man (M) en vrouw (V) hebben een onenightstand, waaruit in 2012 dochter (D) wordt geboren. V oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over D, die haar hoofdverblijfplaats bij V heeft. Vast staat dat M de verwekker is van D, maar hij heeft nooit enig contact met haar gehad. V ontvangt sinds mei 2013 van de gemeente een bijstandsuitkering, die mede ten behoeve van D wordt verstrekt.

De gemeente verzoekt de rechtbank (ex artikel 62 sub a Participatiewet) de door M te betalen verhaalsbijdrage vast te stellen op € 250 per maand, met ingang van 1 oktober 2015. De rechtbank wijst het verzoek in die zin af, dat het de door M te betalen verhaalsbijdrage vaststelt op € 97 per maand. De gemeente gaat in hoger beroep.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:394 BW bepaalt dat de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder verplicht is tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Uit deze noch uit enige andere wettelijke bepaling vloeit voort dat die onderhoudsplicht van de verwekker verband houdt met de aard of de bestendigheid van de (voorafgaande) relatie tussen hem en de moeder. Deze wettelijke onderhoudsplicht geldt derhalve ook in het geval er geen bestendige affectieve relatie tussen de verwekker en de moeder heeft bestaan en/of geen affectieve relatie met voornemen tot samenleven in de toekomst, doch slechts sprake is geweest van – zoals in casu – een eenmalig seksueel contact. Ook indien de verwekker zich nimmer als vader heeft gedragen en nimmer in die hoedanigheid contact met het kind heeft gehad of wenst, laat dit het bestaan van voormelde onderhoudsplicht onverlet.

Aan dit wettelijk systeem ligt ten grondslag dat zowel de vader/verwekker als de moeder aan de verzorging en opvoeding van het kind moet bijdragen. Aan dit uitgangspunt zou tekort worden gedaan indien voor de bepaling van de behoefte van het kind aan een bijdrage slechts de kosten in aanmerking zouden worden genomen die de moeder voor het kind heeft gemaakt in een periode waarin zij nog niet kon beschikken over een door de vader/verwekker betaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Voor de bepaling van de behoefte van het kind dient (in het geval als het onderhavige, waarin het gaat om een eerste vaststelling van een onderhoudsbijdrage) ervan te worden uitgegaan dat ook de verwekker dient bij te dragen in de kosten van het kind met een bedrag dat hij aan het kind zou besteden als dit kind in zijn gezin zou opgroeien (HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9690).

Het hof begroot de behoefte van D op basis van het Tremarapport, dat een richtlijn bevat voor een situatie vergelijkbaar met de onderhavige, waarbij de vader nimmer met de moeder en het kind in gezinsverband heeft samengeleefd. Voor die situatie wordt aanbevolen de behoefte van een kind aldus te bepalen dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. Het hof ziet geen aanleiding om van die richtlijn af te wijken.

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de gemeente alsnog toe.

Gerechtshof Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4977

Deel dit bericht...
Tweet about this on Twitter
Twitter
Email this to someone
email
Share on Facebook
Facebook
Share on LinkedIn
Linkedin