Vraag & antwoord

in goed overleg scheiden

Veel gestelde vragen bij een (echt)scheiding

Het besluit om te gaan scheiden, is een zware en moeilijke beslissing. Niet voor niets heeft u ooit besloten om samen verder te gaan. Het feit dat u deze samenleving momenteel wilt beëindigen is ingrijpend, emotioneel en zorgt er voor dat er een periode van grote onzekerheid aanbreekt. Naast alle emotionele problemen moeten er veel fiscale en juridische zaken worden geregeld.

Onderstaand een overzicht van de meest gestelde vragen bij een (echt)scheiding en de antwoorden op die vragen.

Algemeen

Dit houdt in dat al jullie bezittingen en schulden van jullie gezamenlijk zijn. Bij een scheiding moeten die in principe gelijkelijk tussen jullie verdeeld worden.

Huwelijkse voorwaarden zijn er in vele soorten. De financieel echtscheidingsadviseur kan u informeren over de consequenties van een scheiding. In overleg met jullie kan de financieel echtscheidingsadviseur ook een advocaat of notaris hierover raadplegen.

Het convenant is een schriftelijke vastlegging van de afspraken die u tijdens uw echtscheiding maakt. Het (echt)scheidingsconvenant is belangrijk bij het aanvragen van onder andere een hypotheek na uw echtscheiding. De bank zal dan een convenant eisen.

De duur van een scheiding is in grote mate afhankelijk van uw eigen medewerking, inzet en bereidheid tot het sluiten van compromissen met uw ex-partner. Bij een vlotte echtscheiding zal het opstellen van het convenant 3 tot 5 weken duren.
Bij aantoonbare urgentie kan dit worden verkort. In totaliteit heeft een (echt)scheiding gemiddeld een doorlooptijd van ongeveer 6 tot 10 weken.

Een ouderschapsplan is een sinds 1 maart 2009 wettelijk voorgeschreven overeenkomst tussen de ouders. Dit document moet tegelijk met het echtscheidingsverzoek worden ingediend bij de Rechtbank.

  • Het ouderschapsplan dient minimaal de volgende punten te bevatten:
    Dat de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over hun kind(eren).
  • Omschrijving van de wijze waarop ouders na de scheiding de zorg- en opvoedingstaken verdelen.
  • Omschrijving van de wijze waarop ouders elkaar zullen informeren en raadplegen.
  • Bevestiging van het feit dat de ouders weten dat het ouderlijk gezag ook betekent dat beide ouders verplicht zijn de ontwikkeling van de relatie tussen zijn of haar kind met de andere ouder te bevorderen.
  • Omschrijving van de verdeling van de verzorging en opvoeding.
  • Bevestiging dat de ouders zich er bewust van zijn dat hun kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.
  • Bevestiging dat de ouders de kinderen op een bij de leeftijd van de kinderen passende wijze betrokken hebben bij de totstandkoming van het ouderschapsplan.

Wanneer u en uw partner niet gezamenlijk kunnen of willen scheiden, zal de rechter knopen voor u doorhakken. U heeft dan elk een advocaat nodig die voor uw individuele belangen zal strijden. Dat betekent dat u in principe een procedure tegen uw partner volgt. Dit soort trajecten duurt in de praktijk 1,5 tot 3 jaar en kost gemiddeld € 10.000,- tot € 20.000,-. Een ouderschapsplan opstellen kan in deze situatie ook problemen geven. De Rechtbank zal dan moeten oordelen of de redenen voor het niet tot stand komen van een gezamenlijk ouderschapsplan ‘goed genoeg’ zijn of dat hij de ouders zal verwijzen naar een deskundige om alsnog samen te proberen een ouderschapsplan op te stellen.

Zolang u getrouwd bent, bent u wettelijk verplicht om financieel voor elkaar te zorgen. U kunt zaken onderling afspreken of u laat een voorlopige alimentatieberekening/-afspraak maken en vastleggen.

 
Sinds 1838 wordt er getrouwd in gemeenschap van goederen. Sinds 1 januari 2018 is dat voorbij en wordt er getrouwd ‘beperkte gemeenschap van goederen’. De wet die daarvoor is ingesteld beoogt meer afstemming op de praktijk en de maatschappelijke behoefte van deze tijd, waarin ongeveer 40% van de huwelijken strandt.
Deze wet is ook van toepassing op het geregistreerd partnerschap.

Redenen voor de aanpassing van de wetgeving
Tot 01 januari 2018 verdeelt men bij een scheiding alles op basis van een 50/50 gedachte als men niet getrouwd is onder huwelijkse voorwaarden. Men deelt elkaars schulden en vermogen. Buiten de huwelijksgemeenschap vallen:
– Giften en erfenissen met uitsluitingsclausule
– Verknochte goederen
– Pensioen (wel pensioenverdeling bij echtscheiding)

Maar we zijn individualistischer gaan leven en er werden steeds meer huwelijken die onder huwelijkse voorwaarden afgesloten. Ook zijn er meer ondernemers bijgekomen, met name ZZP’ers, die er bewust voor hebben gekozen om een (financieel) risico te lopen. Om deze redenen is de wet beperking in de gemeenschap van goederen ingevoerd.

Wat veranderde er precies?
Vanaf 01 januari 2018 vallen buiten de huwelijksgemeenschap:
– Giften en erfenissen
– Verknochte goederen
– Vóórhuwelijks vermogen (vermogen & schulden)
– Geen wijzigingen m.b.t. pensioenrechten

Deze vermogensbestanddelen komen dus niet meer automatisch in de gezamenlijke gemeenschap van goederen, zoals dit tot 1 januari 2018 wel het geval was.
Als u in de toekomst gaat scheiden, en u bent na 1 januari 2018 getrouwd, dan hoeft u en uw partner straks niet meer te delen in de schulden van elkaar, deze blijft voortaan persoonlijk en dus aan degene die de schuld heeft verbonden.

Echter: alles wat u tijdens het huwelijk aan vermogen vergaart verdeelt u wel 50/50 bij een scheiding. Met uitzondering dus van giften, schenkingen en erfenissen, en andere zaken waarvan kan worden aangetoond dat deze vanuit privévermogen zijn vergaard. Ook verknochte goederen zullen niet onder de 50/50 verdeling vallen.

LET OP:
Stel dat u voor het huwelijk samen een woning heeft gekocht met als eigendomsverhouding 60 : 40, door het huwelijk valt de woning in de beperkte gemeenschap van goederen. Ieder eigenaar voor 50%!
Stel in 2014 bij samenwoners waarbij een van hen via zijn/haar ouders € 100.000 heeft ontvangen welke in mindering moest worden gebracht op de hypotheekschuld. Hierdoor is een groter eigendom verkregen door een van de samenwoners.

En dat zullen, wanneer u gaat scheiden, nog best punten van discussies en conflicten kunnen gaan worden. De nieuwe wetgeving heeft het er niet gemakkelijker op gemaakt.

Moet u nog zaken vastleggen bij de notaris?
Onder de nieuwe wetgeving is het raadzaam om, bij aanvang van het huwelijk, een staat van inbreng op te stellen. Dit is een lijst van bezittingen of vermogen die tot het privé-gedeelte van de persoon blijven behoren. Zeker als u voor wat betreft vermogen en bezittingen niet gelijkwaardig het huwelijk in gaat. Met de nieuwe wetgeving geniet u dus sinds 1 januari 2018 op dat gebied dus al iets van bescherming. Het is raadzaam om een uurtje te reserveren voor het opstellen van een lijst met bezittingen, zoals van de auto’s, de woning, de eventuele studieschuld en bijvoorbeeld lijfrentepolissen. Als u rond uw huwelijk al bij de notaris langsgaat vanwege de aankoop van een huis, bespreek dan meteen uw huwelijkse voorwaarden, want die kunnen nog steeds worden opgesteld.

Als u toch ‘gewoon’ in gemeenschap van goederen wilt trouwen, kan dat dan nog wel?
Natuurlijk kan dat nog steeds. Maar dan moet u daarvoor naar de notaris en dit daar laten vastleggen. Trouwen in algehele gemeenschap van goederen is nu de uitzondering op de regel, zoals dat voorheen met de huwelijkse voorwaarden het geval was. U dient ook naar de notaris te gaan wanneer u wilt dat er expliciete uitzonderingen worden gemaakt op wat voorheen werd aangemerkt als een uitsluitingsclausule en wat er sinds 1 januari 2018 is bijgekomen aangaande de insluitingsclausule.

Uitsluitingsclausule is bedoeld om vermogensbestanddelen buiten de huwelijksgemeenschap te houden. Deze wordt gemaakt door erflater / schenker

Insluitingsclausule is bedoeld om vermogensbestanddelen binnen de huwelijksgemeenschap te houden. Deze wordt gemaakt door erflater / schenker en echtgenoten.

Voorbeeld:
Vader wil dat zijn erfenis uitsluitend aan zijn zoon (en dus niet aan zijn schoondochter) toekomt.

Oplossing:
In principe valt deze erfenis buiten de beperkte gemeenschap van goederen en komt dus toe aan zijn zoon. Echter zijn zoon en zijn partner kunnen huwelijksvoorwaarden met een insluitingsclausule maken. Dan gaat een deel van de erfenis ook naar schoondochter.
Advies voor vader: maak een testament met een uitsluitingsclausule. Deze kan door de echtgenoten niet aan de kant worden gezet.

Heeft de nieuwe wetgeving invloed op uw scheiding wanneer u voor 1 januari van dit jaar bent getrouwd en u zou nu willen scheiden?
Het antwoord is heel eenvoudig: NEE. De nieuwe wet geldt alleen voor huwelijken die gesloten worden vanaf 1 januari 2018.

Tot slot: Waar dient u verder op letten?
Als u ondernemer bent en u stapt in het huwelijksbootje dan blijft het advies om onder huwelijkse voorwaarden te trouwen. Niet dat dit nog noodzakelijk is, want de nieuwe wet maakt onmiskenbaar duidelijk dat uw onderneming aan u toebehoort, maar start u een onderneming nádat u in het huwelijk bent getreden, dan wordt het toch weer een ander verhaal. Door dan huwelijkse voorwaarden op te stellen beperkt u het risico voor uw partner als het slecht gaat in het bedrijf. Of u krijgt minder gedoe als u gaat scheiden. Dan is het duidelijk dat het bedrijf is opgebouwd door u.

Er kan niet voldoende worden stilgestaan bij de nieuwe wetgeving aangaande het huwelijksgoederenregime. In het verleden kon dat al een behoorlijke harde noot zijn om te kraken bij een scheiding. Dat zal niet anders worden in de toekomst wanneer u uw huishoudboekje op dit gebied onvoldoende hebt bijgehouden. Maak daarom elk jaar even de balans op. Dat kan prima samengaan met het invullen van uw belastingaangifte. Dan zit u toch al met uw neus in de rekeningen.

Goedkeuringsbesluit bepaling eigenwoningschuld (EWS) partners
dinsdag 06 februari 2018

Op 14 april 2017 beantwoordde toenmalig staatssecretaris Wiebes enkele vragen over de gevolgen van de invoering van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen voor partners met een eigenwoningschuld. Uit die antwoorden bleek dat de fiscale interpretatie van de belastingdienst over de uitwerking van de wet voor partners tot ongewenste uitkomsten leidt. 

Die onwenselijke uitkomsten stonden overigens los van de invoering van die wet, maar spelen ook bij al vóór 2018 gehuwden of andere fiscale partners. Op 31 januari 2018  heeft de huidige staatssecretaris, Menno Snel de onwenselijke gevolgen, via een besluit, recht willen trekken.

De Kamerbrief van staatssecretaris Wiebes van 14 april 2017 leidde tot grote verwarring bij hypotheekadviseurs en andere deskundigen. Er bleek een interpretatie van de wet te zijn, die maakte dat fiscaal partners, waarvan er één een fiscaal eigenwoningverleden had en de ander niet, nadelige gevolgen ondervonden als ze gezamenlijk een eigen woning financierden. Dit was niet gewenst.

Goedkeuring
De goedkeuring (van 31 januari 2018)  is, dat een eigenwoningverleden van één van de partners wordt verdeeld over beide partners, om daarna de individuele (B)EWS en het eigenwoningverleden te bepalen. In het Besluit worden de verschillende samenlevingsvormen niet uitgewerkt. Er wordt slechts één voorbeeld van een goedkeuring gegeven.

We nemen het voorbeeld uit het Besluit over. De situatie is steeds gebaseerd op die van Arend en Brenda. We weten echter niet of ze al dan niet gehuwd zijn, wanneer dit zou zijn gebeurd en of daar huwelijkse voorwaarden bij zijn opgemaakt. Ze zijn uiteraard wel fiscaal partners, want dat is automatisch het geval wanneer ze gezamenlijk een woning kopen.

Fiscale uitwerking volgens belastingdienst – voor en na Besluit 
Wij gaan, in dit voorbeeld, uit van de situatie dat ze niet zijn gehuwd.

Arend en Brenda kopen in 2017 samen een eigen woning voor € 200.000. Ze zijn niet gehuwd.

Arend heeft dan zelf al zijn eigen woning verkocht voor € 150.000. Hij had daar vijf jaar gewoond en op de woning rustte een eigenwoningschuld van € 100.000. Deze eigenwoningschuld was een ‘bestaande eigenwoningschuld (BEWS)’: de schuld bestond al op 31 december 2012 en kent dus geen fiscale aflossingsplicht. Bij de verkoop door Arend ontstaat een eigenwoningreserve (EWR) van € 50.000. Brenda heeft nog nooit een eigenwoningschuld gehad.

Arend en Brenda willen de woning van € 200.000 gezamenlijk (elk voor 50%) aankopen en financieren met een lening van € 150.000. Arend heeft immers een eigenwoningreserve van € 50.000. De financiering bestaat uit drie delen:
–             Een aflossingsvrije hypotheek van € 50.000
–             Een annuïteitenhypotheek van € 100.000
–             Eigen vermogen van € 50.000

Hoe werkt dit fiscaal, voor en na het besluit, uit?

Uitwerking zonder Besluit Uitwerking met Besluit
Ze zijn beiden voor 50% eigenaar van de woning. Hieruit volgt dat ze ook beiden eigenaar zijn van de helft van de hypothecaire leningen (volgens de belastingdienst).
Dat betekent dus dat zowel Arend als Brenda ieder de volgende leningen hebben:
– Een aflossingvrije lening van € 25.000
– Een annuïtaire lening van € 50.000
Door de verdeling van de EWR en het eigenwoningverleden, beginnen zowel Arend als Brenda nu met een EWR van € 25.000 en een eigenwoningverleden van 5 jaar over € 50.000. Daardoor is er geen verschil meer in de fiscale uitwerking van hun leningdelen. Per persoon is die nu als volgt:
Gevolg Arend:
Arend had een BEWS van € 100.000 (met 5 jaar genoten aftrek) en heeft een EWR van € 50.000. Hij verkrijgt 50% van de woning van € 200.000 (zijn verkrijgingsprijs is dus € 100.000). Omdat hij een EWR heeft van € 50.000, is zijn maximale eigenwoningschuld € 50.000. Dit heeft tot gevolg dat Arend:
• Een BEWS heeft van € 50.000 waarover nog 25 jaar renteaftrek genoten kan worden. De helft hiervan is daadwerkelijk aflossingsvrij (€ 25.000) en de andere helft wordt annuïtair afgelost
• Een lening in box 3 (annuïtair dalend) van € 25.000
Voor zowel Arend als Brenda geldt nu:
• Hij/Zij gaat een lening aan van € 75.000.
• Hiervan is € 50.000 een BEWS met nog 25 jaar renteaftrek. De helft hiervan is aflossingsvrij gefinancierd en de andere helft annuïtair.
• De overige € 25.000 is een nieuwe EWS met aflossingsplicht.
• De hele € 75.000 valt dus in box 1, omdat de verwervingsprijs van € 100.000 verlaagd wordt met de individuele EWR van € 25.000.
Gevolg Brenda:
Omdat zij nog nooit een eigenwoningschuld heeft gehad, heeft zij geen recht op leningdeel waarvoor het overgangsrecht geldt. Dit leidt ertoe dat zij heeft:
• Een EWS van € 50.000, omdat hierop annuïtair wordt afgelost. Zij heeft recht op 30 jaar renteaftrek over dit deel.
• Een lening van € 25.000 in box 3, omdat die lening niet voldoet aan de fiscale aflossingsplicht.

 

Voorwaarden voor de goedkeuring
Om voor de hierboven geschetste goedkeuring in aanmerking te komen, gelden drie voorwaarden:

  • De partners kopen de eigen woning aan in een 50%-50%-verhouding en gaan de schuld(en) voor financiering van de woning eveneens in die verhouding aan.
  • Beide partners doen een beroep op deze goedkeuring door de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente op deze manier in de aangifte(n) op te nemen.
  • Beide partners zijn akkoord met de volgende consequentie: toepassing van de goedkeuring door het zodanig opnemen van de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente in de aangifte(-n) geldt ook voor latere jaren. De verdeling bij helfte van het eigenwoningverleden van één of beide partners kan daardoor niet meer worden herzien of teruggedraaid in een later belastingjaar.

De goedkeuring geldt met ingang van belastingjaar 2013.

Er is nog veel onduidelijk 

Andere verhoudingen dan 50%-50%
Dit Besluit, dat nog veel vragen oproept, lijkt een tijdelijke oplossing. In de inleiding op het Besluit staat dat het Besluit wordt genomen, vooruitlopend op mogelijke wetgeving.

Het is bijvoorbeeld nog onduidelijk wat de gevolgen zijn van partners die een andere verdeling dan 50%-50% hebben. Als dat het geval is, moeten ze zich wenden tot de Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Team Brieven en Beleidsbesluiten. Per geval wordt dan beoordeeld of een goedkeuring met een zelfde soort uitwerking wordt toegekend.

Invloed huwelijksgoederenrecht
Bovendien is de vraag in hoeverre de goedkeuring wel fiscaal ‘waterdicht’ is. Als de fiscale partners een beroep doen op de goedkeuring (te weten: ze doen hun aangifte zo, dat blijkt dat ze dit willen), dan schenkt Arend € 25.000 aan Brenda. Alleen als ze in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, hoeft dit geen probleem te zijn. Als ze dat niet zijn, is de vraag of er schenkbelasting is verschuldigd (bij samenwoners) dan wel een vergoedingsrecht ontstaat (bij huwelijken onder voorwaarden of in beperkte gemeenschap). Of dat ze onderhands een leningovereenkomst moeten aangaan. De aanleiding van dit Besluit was oorspronkelijk overigens om de gevolgen van het gewijzigde Huwelijksgoederenrecht te verduidelijken. Dat is nog niet gebeurd.

Voorbeelden bij gehuwden
In de Kamerbrief van 14 april 2017 zijn verschillende situaties uitgewerkt: die van samenwoners, die van gehuwden (vóór 2018) en die van gehuwden (in 2018 of daarna). Onduidelijk is op welke situatie het voorbeeld ziet, die hierboven beschreven is. We beschrijven nog wel de uitwerking van gehuwden (voor of na 1 januari 2018), zoals in die Kamerbrief stond. De optie om geen gebruik van de goedkeuring te maken, bestaat immers nog steeds. De hypotheekadviseur moet zijn klant dan kunnen uitleggen wat daarvan de fiscale gevolgen zijn.

Voorbeeld 1: fiscale uitwerking volgens belastingdienst (gehuwd in 2017) – zonder gebruik van de goedkeuring.
We gaan uit van dezelfde situatie als van Arend en Brenda, in de wetenschap dat ze in gemeenschap van goederen zijn gehuwd in 2017, na de verkoop van de woning van Arend, maar vóór de aankoop van de nieuwe woning. Wat verandert er aan bovenstaand voorbeeld?

Arend:
Voor hem verandert er niets. Hij houdt een BEWS van € 50.000 met een resterende duur van renteaftrek van 25 jaar. Van deze BEWS is € 50.000 is de helft aflossingsvrij en wordt de andere helft annuïtair afgelost. De resterende € 25.000 valt in box 3 vanwege zijn EWR.

Brenda:
Door het huwelijk verkrijgt zij het recht op de helft van de BEWS van Arend. Daardoor valt het aflossingsvrije deel van haar lening wel in box 1. Maar ze moet dan ook rekening houden met de periode van renteaftrek van Arend. Haar leningen bestaat dan uit:
·       Een aflossingsvrije BEWS van € 25.000 waarover ze nog 25 jaar renteaftrek heeft.
·       Een annuïtair dalende BEWS van € 25.000 waarover ze nog 25 jaar renteaftrek heeft.
·       Een nieuwe annuïtair dalende EWS van € 25.000 waarover ze nog 30 jaar renteaftrek heeft.

Voorbeeld 2: fiscale uitwerking volgens belastingdienst (gehuwd in 2018) – zonder gebruik te maken van de goedkeuring
Stel dat we alle jaren met 1 opschuiven. Voor de rest is de situatie ongewijzigd. Dat wil zeggen dat de nieuwe situatie is dat Arend zijn woning heeft verkocht, dat hij in 2018 in beperkte gemeenschap van goederen trouwt met Brenda (nieuwe huwelijksvermogensrecht) en dat ze daarna samen een woning kopen van € 200.000.

Allereerst wordt, door het huwelijk in beperkte gemeenschap van goederen, de woning automatisch voor elk 50% eigendom. Onder het nieuwe huwelijksvermogensrecht is een andere verdeling niet mogelijk, tenzij er huwelijkse voorwaarden worden opgesteld. Datzelfde geldt voor de schuld. De EWR blijft echter van Arend, omdat die al is ontstaan vóór het huwelijk. Arend gebruikt zijn EWR van € 50.000 om de woning mede mee te financieren. Hij heeft daarvoor de toestemming van Brenda. Hierdoor ontstaat automatisch een vergoedingsrecht (vordering) van Arend op Brenda van € 25.000. Deze vordering valt in box 3 voor Arend, en de schuld aan Arend valt voor Brenda ook in box 3. Vorderingen tussen partners kwalificeren namelijk niet als eigenwoningschuld. Samengevat zijn de gevolgen

Voor Arend:
·       Hij heeft een BEWS heeft van € 50.000 met nog 25 jaar renteaftrek. Van deze € 50.000 is € 25.000 aflossingsvrij gefinancierd en de andere € 25.000 annuïtair
·       Hij heeft een lening van € 25.000 in box 3 (vanwege zijn EWR)
·       Hij heeft een vordering van € 25.000 op Brenda in box 3 (vergoedingsrecht)

Voor Brenda:
·       Zij heeft een EWS van € 50.000 (annuïtair dalend), waarvoor zij 30 jaar renteaftrek heeft
·       Ze heeft een lening in box 3 van € 25.000, omdat ze hier niet annuïtair op aflost
·       Ze heeft een schuld van € 25.000 aan Arend in box 3 (vergoedingsrecht)

Op Prinsjesdag 2017 kondigde het kabinet aan van plan te zijn de Successiewet aan te passen. Het voorstel zou ertoe leiden dat er bij het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden vanaf 2018 in bepaalde gevallen schenkbelasting verschuldigd zou zijn. Vanwege diverse onbedoelde effecten in het wetsvoorstel, is deze wijziging ingetrokken. Dat heeft er wel toe geleid dat er, sinds op 1 januari 2018 het nieuwe huwelijksvermogensrecht is ingevoerd, soms onduidelijkheid bestond over in welke situaties schenkbelasting is verschuldigd bij het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden.

Inleiding
Het gepubliceerde besluit van 29 maart 2018 vervangt het oude besluit uit 2010 en neemt veel onduidelijkheid weg.

In het besluit van 29 maart wordt, namens de Staatssecretaris van Financiën, uitgelegd wat de gevolgen zijn van huwen voor de schenkbelasting. Het besluit werkt terug tot 1 januari 2018, omdat toen ook het nieuwe huwelijksvermogensrecht in werking is getreden. Voor een stel dat op of na 1 januari 2018 huwt ontstaat een ‘wettelijke’ gemeenschap van goederen, die in grote lijnen inhoudt dat alleen alle gezamenlijke eigendommen en schulden in de gemeenschap vallen. Alle eigendommen en schulden van één van de partners blijven van die ene partner. Tot 1 januari 2018 was dit een algehele gemeenschap van goederen waartoe naast het gezamenlijk op te bouwen vermogen ook het voorhuwelijkse vermogen van de echtgenoten behoort.

Van deze wettelijke gemeenschap sinds 1 januari 2018 (die ook wel ‘beperkte gemeenschap’ werd genoemd) kan men middels huwelijkse voorwaarden afwijken. Bij huwen zonder huwelijkse voorwaarden is er nooit sprake van een belastbare schenking. Hoe zit het dan als er wel huwelijkse voorwaarden worden opgesteld?

Huwelijkse voorwaarden aangaan of wijzigen
Als een echtpaar trouwt en daarbij huwelijkse voorwaarden aangaat, die ertoe leiden dat er een algehele gemeenschap van goederen ontstaat (zoals automatisch het geval was bij huwelijken tot 1 januari 2018), is er geen sprake van een belaste schenking, ongeacht de mate waarin vermogen verschuift.

Gehuwden die huwelijkse voorwaarden aangaan of aanpassen, zullen geen aanslag schenkbelasting krijgen, als de nieuwe huwelijkse voorwaarden leiden tot:

  • Een wettelijke gemeenschap van goederen, zoals die zou zijn ontstaan door op of na 1 januari 2018 te trouwen zonder huwelijkse voorwaarden; of
  • Een algehele gemeenschap van goederen, zoals die zou zijn ontstaan wanneer men voor 2018 zonder huwelijkse voorwaarden zou zijn getrouwd.

Andere verhouding dan 50%-50%
Als huwelijkse voorwaarden worden aangegaan bij of na een huwelijk, waarbij de ene echtgenoot meer vermogen had dan de ander, en er een andere verdeling dan een wettelijke of algehele gemeenschap ontstaat, kan dit wel leiden tot een belastbare schenking. Dit is alleen niet het geval, wanneer het vermogen van degene die vóór de huwelijkse voorwaarden al het hoogste vermogen had:

  • niet lager wordt dan 50%; en
  • niet een hoger deel wordt dan het al was.
Voorbeeld andere verhouding dan 50%-50% als gevolg van huwelijkse voorwaarden
Luuk en Stephanie gaan trouwen onder huwelijkse voorwaarden waarbij ze een algehele gemeenschap van goederen aangaan met de verdeelsleutel man-vrouw van 70-30. De man heeft bij het aangaan van het huwelijk een vermogen van € 900.000. De vrouw heeft een vermogen van € 100.000. 
Stel dat de huwelijksgoederengemeenschap vijf jaar later wordt ontbonden, dan is de man bij gelijk gebleven vermogens gerechtigd tot € 700.000 en de vrouw tot € 300.000. Omdat de man € 900.000 had en bij ontbinding van de gemeenschap gerechtigd is tot meer dan de helft van het tot de algehele gemeenschap behorende vermogen, is er voor de toepassing van de Successiewet geen sprake van een schenking. De goedkeuring geldt niet voor de situatie dat de man en vrouw een verdeling van bijvoorbeeld 30-70 zouden zijn overeengekomen, omdat de gerechtigdheid van de man dan daalt onder 50%.
Ook zou de goedkeuring niet gelden bij een verdeelsleutel van 95-5, omdat het vermogen van de man dan zou stijgen van 90% naar 95%, terwijl hij op voorhand al de meest vermogende was.

Wederkerig finaal verrekenbeding
Een finaal verrekenbeding is een beding in de huwelijkse voorwaarden, waarbij eerst elke gemeenschap is uitgesloten (koude uitsluiting), maar op een moment van scheiden en overlijden (of alleen overlijden) gedaan wordt alsof men in gemeenschap van goederen getrouwd was. Met ‘gemeenschap van goederen’ wordt hier zowel de wettelijke gemeenschap (van na 1 januari 2018) als de algehele gemeenschap (van voor 2018) bedoeld.

In het besluit keurt de Staatssecretaris goed dat ook wanneer er een dergelijk verrekenbeding is, er geen sprake is van een belastbare schenking. Het moet wel gaan om een ‘wederkerig’ finaal verrekenbeding. Dat wil zeggen dat de finale verrekening zowel bij het overlijden van de ene als van de andere partner moet gelden. 

Het uitsluiten van vermogensbestanddelen of schulden
De Staatssecretaris wil graag nog een onduidelijkheid wegnemen met het Besluit. Die betreft de situatie dat een ongehuwd stel samen een woning heeft en daarna gaat trouwen. Als dit ongehuwde stel niets afspreekt bij het huwelijk, vallen zowel de woning als de eigenwoningschuld in de wettelijke gemeenschap. Als ze weer uit elkaar gaan, is elk van hen gerechtigd tot 50% van de woning en de eigenwoningschuld, ook wanneer één van de partners eigen geld had ingebracht en daardoor recht zou hebben op een groter deel van de woning, dan wel een kleiner deel van de schuld.

Als ze willen trouwen in wettelijke gemeenschap van goederen, maar toch de onderlinge verdeling van de eigenwoningschuld willen houden zoals deze was, keurt de Staatssecretaris dat goed. Er is ook geen sprake van een schenking, die zou kunnen worden geacht te ontstaan, als gevolg van afwijking van de wettelijke regel dat gezamenlijke schulden in de gemeenschap vallen.

Voorbeeld
Ron en Sandra hebben in 2016 samen een woning gekocht van € 200.000. Ze waren op dat moment niet gehuwd. Ron heeft voor de aanschaf € 40.000 aan eigen geld ingebracht. Daarom is de eigenwoningschuld € 160.000. Door de inbreng van Ron, is zijn deel van de eigenwoningschuld
€ 60.000 en dat van Sandra € 100.000. Het kan best zijn dat ze voor de bank beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hele schuld, maar dat betekent niet dat ze ook elk volledig eigenaar van de schuld zijn. 

Ron en Sandra trouwen in 2018 zonder huwelijkse voorwaarden
In 2018 trouwen Ron en Sandra. Als ze niets afspreken, vallen de woning en de eigenwoningschuld in de wettelijke gemeenschap. Twee jaar later gaan Ron en Sandra uit elkaar. De woning is dan € 220.000 waard en deze wordt verkocht. De eigenwoningschuld is dan nog € 154.000. 
Vanwege de wettelijke gemeenschap, is 50% x (€ 220.000 -/- € 154.000) = € 33.000 voor elk van hen.
 
Ron en Sandra trouwen in 2018 met huwelijkse voorwaarden
Dezelfde situatie als hierboven, maar dan stellen Ron en Sandra tijdens hun huwelijk in 2018 de huwelijkse voorwaarde dat Rons deel van de eigenwoningschuld 60/160ste is en Sandra’s deel 100/160ste. 
De wet zou zo geïnterpreteerd kunnen worden, aldus de Staatssecretaris, dat er op dat moment sprake is van een schenking. Immers: op het moment van huwen zou eigenlijk de schuld van € 160.000 (of hoe hoog die dan ook is) gelijkelijk verdeeld moeten worden (tot € 80.000 voor elk van hen). Door te stellen dat op dat moment Rons deel lager is, zou je kunnen beredeneren dat Sandra iets aan Ron schenkt. Door het besluit wordt deze interpretatie uit de wereld geholpen: er is geen sprake van een schenking.
 
Stel dat Ron en Sandra in dit geval ook weer na twee jaar scheiden, dan wordt de woning wel 50%-50% verdeeld, maar de schuld niet. 
Ron krijgt dan € 110.000 -/- (60/160ste x € 154.000) = € 52.250 na de scheiding. 
Sandra krijgt € 110.000 -/- (100/160ste x € 154.000) = € 13.750 na de scheiding.

Bovenstaande goedkeuring geldt alleen als voldaan wordt aan de volgende vier voorwaarden:

  • De echtgenoten nemen in de huwelijkse voorwaarden op dat een wettelijke gemeenschap van goederen volgens het vanaf 1 januari 2018 geldende wettelijke huwelijksgoederenregime wordt aangegaan waarin beiden voor gelijke delen gerechtigd zijn.
  • Er is sprake van een onderlinge schuld tussen de echtgenoten die is ontstaan bij de gezamenlijke aanschaf van de eigen woning en die zonder nadere afspraak tot de wettelijke gemeenschap van goederen zou behoren op grond van het nieuwe huwelijksvermogensrecht.
  • In de huwelijkse voorwaarden, waarbij een wettelijke gemeenschap is aangegaan, is alleen met betrekking tot bovengenoemde schuld afgeweken van het wettelijke huwelijksgoederenregime.
  • Het betreft de aanschaf van een eigen woning in fiscale zin (dus bijvoorbeeld niet een tweede woning).

Belang voor hypotheekadvies
Bovenstaande goedkeuring is vooral van belang voor hypotheekadvies, in samenhang met het besluit van 30 januari 2018. Dat besluit en een latere uitleg door de belastingdienst, maakte het al voor de inkomstenbelasting mogelijk een andere verhouding aan te gaan in de eigenwoningschuld. Nu wordt een mogelijk bezwaar met betrekking tot schenkbelasting ook weggenomen. Het is daardoor nu mogelijk te adviseren om een interne draagplicht van de eigenwoningschuld tussen partners af te spreken, zonder dat dit negatieve fiscale gevolgen heeft, maar juist alleen positieve effecten, omdat hierdoor toch de hele rente over de eigenwoningschuld aftrekbaar blijft.

Nog even een voorbeeld:
René en Jolanda zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting). René heeft een onderneming. Jolanda heeft een vermogen van € 1.000.000. Het gaat slecht met de onderneming en René besluit ermee te stoppen. Door diverse investeringen is zijn vermogen € 100.000 negatief. Hij heeft dus nog € 100.000 aan schulden. René en Jolanda willen een streep zetten onder het mislukte ondernemingsverleden van René. Ze besluiten hun huwelijkse voorwaarden aan te passen, waardoor een algehele gemeenschap van goederen ontstaat met een verdeelsleutel van 50% voor elk van hen.

Daardoor daalt het vermogen van Jolanda van € 1.000.000 naar € 450.000 en stijgt dat van René van € 100.000 negatief naar € 450.000 positief.

Is hier dan sprake van een schenking van Jolanda aan René?

Nee. Hiervoor geldt de goedkeuring dat het wijzigen van een huwelijk onder huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen nooit leidt tot een belaste schenking.

Het feit dat één van de partners vermogend is en de ander schulden heeft, doet niet ter zake. Het totaal vermogen wordt op één hoop gegooid en gedeeld door twee. Dat is altijd toegestaan, zonder schenkingsbelasting verschuldigd te zijn.

Niet alleen bij het aangaan van huwelijkse voorwaarden, maar ook bij het wijzigen daarvan geldt goedkeurend beleid in gevallen waarin de nieuwe huwelijkse voorwaarden leiden tot een algehele gemeenschap van goederen (zoals automatisch het geval was bij huwelijken zonder voorwaarden tot 01 januari 2018)

checklist-scheidenGratis adviesgesprek

In goed overleg scheiden en financiële/ fiscale kosten besparen? Vraag vrijblijvend een gratis oriënterend persoonlijk gesprek aan. En krijg meteen de checklist “Efficiënt scheiden”.

Uw naam:

Uw e-mail:

Tel. vast/mobiel:

Woning/hypotheek

Ja dat kan als u en uw aanstaande ex het daar over eens zijn. Indien jullie hier niet uitkomen zal de beslissing daarover gevraagd moeten worden aan de rechter. Dit kan eerst als tijdelijke maatregel door middel van een voorlopige voorziening. Dit is een korte procedure die, als het nodig is, voorafgaat aan de echtscheidingsprocedure. Ook in het kader van de echtscheiding kan gevraagd worden aan de Rechtbank om in de echtelijke woning te mogen blijven wonen. Dat kan tot maximaal 6 maanden na de scheiding. Houd er rekening mee dat, als jullie samen eigenaar zijn van de woning, de rechter soms een gebruiksvergoeding koppelt aan het gebruik van de echtelijke woning en de daarbij behorende inboedel. Ook de betaling van rente en aflossing op de hypotheek moet geregeld worden.

Dat hangt van uw specifieke situatie af. Afspraken hierover worden vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Een veelvoorkomende afspraak is dat u in afwachting van de verkoop allebei de helft van de vaste lasten betaalt. De variabele lasten komen voor rekening van degene die in het huis blijft wonen. Van deze afspraken kan worden afgeweken.

Dat kan worden bepaald op basis van de overwaarde, inkomen na de scheiding en de hoogte van de alimentatie. De financieel echtscheidingsadviseur kan in overleg met de hypotheekadviseur u hierover adviseren. Het definitieve besluit hierover ligt bij de bank. In ieder geval dient u uw woning te laten taxeren voor het verkrijgen van een vrije verkoopwaarde.

Alimentatie na de echtscheiding

Er zijn geen standaardbedragen. Naar aanleiding van een alimentatieberekening krijgt u advies over de hoogte van uw alimentatie. U kunt hierover ook onderling afspraken maken. Op basis van de berekening die u laat maken, kunt u met uw partner afspreken wat een redelijk bedrag is.

Nee, in onderling overleg kan van partneralimentatie worden afgezien. Daarvoor wordt in de praktijk soms akkoord gegaan met een scheve verdeling van het gezamenlijk vermogen, wat weer fiscale gevolgen heeft. Alimentatieafkoop doet u in onderling overleg. De financieel echtscheidingsadviseur kan u informeren over de voor- en nadelen hiervan, de fiscale gevolgen en op welke manieren de alimentatieafkoop het beste geregeld kan worden.

Als u langer dan 5 jaren bent gehuwd of als u één of meerdere kinderen heeft, moet u maximaal 12 jaar partneralimentatie betalen. Anders is het zolang als het huwelijk heeft geduurd. Voor kinderalimentatie geldt: dit dient tot het 18e levensjaar aan de verzorgende ouder te worden betaald. Kinderalimentatie voor kinderen van 18 tot 21 jaar, dient aan hen zelf te worden betaald, tenzij dit anders is afgesproken.

Op 21 mei 2019 heeft de Eerste Kamer ingestemd met een wetsvoorstel om de duur van de alimentatieplicht te wijzigen. In de meeste gevallen betekent de wetswijziging dat de alimentatieduur korter wordt.

Onderhoudsplicht
Als mensen die getrouwd zijn gaan scheiden, dan verbreken ze in principe alle banden. Maar de wetgever heeft willen voorkomen dat de ex-echtgenoot met een veel lager inkomen, ineens in de financiële problemen komt. Ook de levensstandaard mag niet in een keer te veel achteruitgaan, zo is de gedachte. De meest verdienende ex-echtgenoot heeft dan ook nog tijdelijk een onderhoudsplicht jegens zijn ex-partner. Dat heet partneralimentatie. De hoogte van de partneralimentatie is afhankelijk van de draagkracht van de beide echtelieden. Als de ontvangende ex-partner een nieuwe partner krijgt, vervalt de alimentatieplicht.

Naast partneralimentatie, bestaat er ook een onderhoudsplicht voor kinderen: de kinderalimentatie. Voor kinderen tot 21 jaar geldt deze onderhoudsplicht voor kinderen, tenzij ze vanaf hun 18e al voor zichzelf kunnen zorgen. Dat verandert niet.

Maar vanaf 2020 wordt de maximale duur van de te betalen partneralimentatie wel gewijzigd. De regels over partneralimentatie gelden niet alleen voor stellen die getrouwd waren, maar ook voor geregistreerd partners. Waar we vanaf nu spreken over ‘huwelijk’ wordt ook het geregistreerd partnerschap bedoeld.

Duur van de alimentatie tot 2020
Situatie tot 1 juli 1994
De wetgeving over de maximale duur van de partneralimentatie zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 1994. Voor iedereen die al vóór 1 juli 1994 gescheiden is, geldt er geen maximale duur van de partneralimentatie. Die kan dus zelfs levenslang zijn. Pas na 15 jaar kan de betalende ex-partner bij de rechter verzoeken om de alimentatieplicht stop te zetten.

Situatie van 1 juli 1994 tot en met 31 december 2019
Als een huwelijk op dit moment eindigt, geldt er een maximale partneralimentatieduur van 12 jaar. Die periode geldt voor huwelijken die meer dan 5 jaar hebben geduurd, of voor huwelijken met kinderen. Alleen als een huwelijk korter dan 5 jaar heeft geduurd en het echtpaar heeft geen kinderen, dan duurt de partneralimentatie korter, namelijk even lang als de duur van het huwelijk.

Wijziging duur partneralimentatie 2020
Voor huwelijken die eindigen op of na 1 januari 2020, wordt de duur van de partneralimentatie verkort. De hoofdregel is, dat de duur van de partneralimentatie de helft is van de duur van het huwelijk, met een maximum van 5 jaar.

 

Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen:

De maximale duur van de partneralimentatie is 10 jaar, als:

  • het huwelijk 15 jaar of langer geduurd heeft; én
  • de ontvangende ex-partner ten minste een leeftijd heeft die 10 jaar onder de AOW- leeftijd ligt, of is geboren op of voor 1 januari 1970. Er hoeft in elk geval geen partneralimentatie meer betaald te worden als de ontvangende ex-partner de AOW-leeftijd bereikt.

De maximale duur van de partneralimentatie is 12 jaar, als er kinderen uit het huwelijk geboren zijn. In dat geval duurt de alimentatieplicht in elk geval tot het jongste kind 12 jaar is. Let wel: het gaat hier over de partneralimentatie. Voor kinderen blijft de onderhoudsplicht doorlopen tot hun 21ste.

Als de maximale duur van de partneralimentatie, zoals hierboven genoemd, verstrijkt en het vervallen van de partneralimentatie zou voor de ontvangende partner onredelijk en onbillijk zijn, dan kan een rechter besluiten tot verlenging van de partneralimentatie. Voorbeelden hiervan die in de Memorie van Toelichting worden genoemd zijn:

  • wanneer de ontvangende ex-partner niet kan werken door tijdens het huwelijk ontstane gezondheidsproblemen; of
  • als de ontvangende ex-partner de zorg voor een gehandicapt kind heeft, waardoor het verlies aan verdiencapaciteit niet (geheel) zelf kan worden opgevangen.

Als er aan meerdere voorwaarden voldaan wordt, dan geldt de langste duur.

Beide ouders zijn verplicht om bij te dragen in het levensonderhoud van de kinderen, ook na de scheiding. Wie wat betaalt hangt af van de draagkracht van beide ouders en de kosten van de kinderen. De kosten zijn afhankelijk van het netto gezinsinkomen, de leeftijd(en) van de kinderen en hoeveel kinderen er in het gezin zijn. Er wordt daarbij uitgegaan van de inkomenssituatie zoals die was vlak voor de scheiding. De kosten van de kinderen moeten dan ingevuld worden in verhouding tot de draagkracht van beide ouders.

Ja, dat kan. Het is ook aan te bevelen dit te doen en u hierbij vooraf goed te laten adviseren door een deskundige. De afspraken die gemaakt worden, kunnen door de financieel echtscheidingsadviseur worden vastgelegd in het echtscheidings-convenant. Het is vervolgens verstandig om aan de Rechtbank te vragen dit op te nemen in een beschikking omdat u dan een executoriale titel verkrijgt. En dat is van belang voor het geval uw aanstaande ex weigert te betalen.

Ja, sinds 1 maart 2009 bestaat er een wettelijke voorrangsregeling voor kinderalimentatie. Eerst wordt de behoefte aan kinderalimentatie ingevuld, daarna wordt gekeken of er nog ruimte is voor partneralimentatie.